Terug naar overzicht



Terug naarde  CND-pagina

Back to the CND page










 


---

Crisp new designs


inleiding door Johan Debruyne, kunstcriticus

Johan Debruyne

foto Hannah Lingier, 24-05-2013


“Crisp new designs”

De woorden, in deze volgorde, komen uit een lied van “Magazine”, een post-punkband (1977-1981). Ik vermoed voorts uit het album dat er kwam na een reŁnie in 2011. “No thyself”. Lingier, dat heb ik onthouden, wordt al altijd door muziek en/of woorden geÔnspireerd tot daden en beelden. Hij gooit hier vandaag een en ander open. En doet dat “cripsy”. Knapperig. Maar vaak met klonters…
Ik las onlangs dat Koen Van den Broeck, momenteel een van onze meest gerenommeerde kunstschilders, een bocht heeft gemaakt. De uitdrukking was  in de titel verwerkt. De recensie was van mijn collega Christine Vuegen. In een Brusselse galerie had ze uitermate genoten van amper 5 schilderijen van de kunstenaar. Meer was er niet te zien. Vijf vierkanten. Geen echt immense doeken meer met suggesties van snelwegen die meedogenloos de weidsheid doorkruisen, geen zwarte strepen verf meer die aan zoveel meer appelleren dan aan strepen zwarte verf, maar - geÔnspireerd door Clyfford Still - soorten abstract expressionistische werken, waarin je de hand van Van den Broeck relatief snel herkent. Abstract expressionisme… Het is een omschrijving van een bepaalde manier van schilderen, een noemer, een stijl uit de kunstgeschiedenis, die ik sinds lang niet meer heb gebruikt. Uit de gratie. Kijk nu!
Ik ben met het toenemen van de jaren behoorlijk cynisch geworden en weet dat bochten nemen al eens geapprecieerd wordt. Daar zijn bekende voorbeelden van. In de politiek. En ook in de kunstwereld. Er wordt vaak op en voor namen gestemd en gekocht.
Bij Johan Lingier ligt het anders, hoewel je ook bij hem misschien van een bocht zou kunnen gewagen. Maar de uitdrukking “een bocht nemen” bezorgt mij een pejoratieve nasmaak. Ik had het dan ook niet zo begrepen op collega Vuegen haar titel. “Nemen” neigt naar “gaan”. Uit de bocht gaan. Terwijl zeker in deze de kunstenaar al helemaal niet met een commercieel doel volkomen andere dingen is gaan creŽren dan datgene wat van hem zou worden verwacht. De “handtekening” is minder duidelijk dan in het aangehaalde voorbeeld, maar toch ik voel meteen: dit zijn Lingiers!
Ik wil me er niet verder in verdiepen, omdat ik weet dat niets is wat het lijkt. Noch in het leven en al zeker niet in de politiek, noch in de kunst. En ik weet sinds enige tijd dat er sinds heel lang ook niets is veranderd. Dit laatste heeft de Poolse dichteres, Wislawa Szymborska-zaliger, me even voor haar dood heel duidelijk gemaakt. Wat op onze aardkloot rondloopt, heeft er altijd rondgelopen en zal er altijd blijven rond hossen. We moeten alleen maar hopen dat het conglomeraat aan smeerlappen en machtswellustelingen niet te groot wordt. Want de massa is volgzaam en volatiel - en opnieuw meer dan gemiddeld - ontevreden. Zogenaamde voortrekkers voelen dat. Futiliteiten worden bestraft. Het leidt de aandacht af. En de pers functioneert niet naar behoren. Anderzijds gruwel ik voor de alfa’s, beta’s en gamma’s van Aldous Huxley.
Laat mij me wentelen in twijfel. Laat me zoeken. Ik vind wel. Het is hierin dat ik Lingier heb gevonden en waardeer. Als ik de kunstenaar vandaag zie, denk ik wel nog even aan het werk dat zo scherp was “uitgebeend” dat het hemzelf vooral op de duur ging vervelen. Vermoed ik. Door een dunne huid keek je tot op het bot. Op de duur wil je er dan wellicht wat vlees omheen. Je ziet de ander en de ander ziet jou. Maar ziet hij wel zichzelf, terwijl jij voortdurend naar jezelf zit te kijken? In jezelf. Het is vervelend als ze je maar niet begrijpen. En moet je altijd alles uitleggen? Grote mensen begrijpen nooit iets.
Lingier liet veel zien. Op het eerste gezicht. Of was het toch maar een Gestalt? Een soort bordkartonnen man? Een prototype mens? De buitenkant. Vandaag lijkt het erop of hij minder makkelijk in zijn kaarten laat kijken. Het verhaal? Wel, spreek eens je eigen fantasie aan. Lingier reikt een frame aan. Er zijn vlakken, striemen, kleuren en klonters. Ik vermoed dat hij het allemaal onder controle heeft. En eigenlijk laat hij uitzicht op meer inzicht. Onder zowat elk oppervlak zijn dingen vastgelegd. Hij laat je eigenlijk dwalen in jouw en zijn ziel. Hij laat je wonen in zijn verf. Ontrafel de huid met je ogen.  Misschien kom ik relatief snel tot dit besluit omdat ik een lyricus ben die maar weinig van doen heeft om weg te dromen en een beetje iemand anders te worden. Elders ben ik snel thuis. Een kameleon die zich zelden volslagen blootgeeft.
Ik heb me niet zo lang geleden verloren in een groen doek, een schilderij met alleen maar groene verf, ervoor een sokkel en een groen kistje. Het leek hermetisch dicht. Dichtgeschilderd. Net zoals het doek erboven. Zo’n met verf a.h.w. verzegelde doos intrigeert. Het groen, vooral dat op het doek, liet sporen na. Dit was niet louter schilderen. Dit was overschilderen. Wegschilderen. Verhullen in ieder geval. Weg met wat was. Het geheel een knap samengaan van berusting, woede en broosheid.
Voor mij was - om nog maar eens naar de titel van het artikel van mijn collega te grijpen - de bocht al een beetje ingezet. Meer bepaald met een half open kartonnen doos op een tafeltje. Het hout witgeschilderd. Heel wat jaren geleden werd alle hout witgeschilderd. Een tijdsdocument. De doos laat scheuren zien, staat op een kier, draagt de schaduw van de kunstenaar. Het heeft iets theatraals. Maar, er is niets veranderd, behalve de gedaante der dingen.
Ik heb “Grotto” ervaren, een installatie met bijna 50 stalactieten in een kelderruimte onder het theater in het cultuurcentrum van Roeselare. Een restruimte die hij naar zijn hand had gezet. Schaduwen en bestaande beelden kruisten elkaar, botsten tegen elkaar op, nieuwe beelden ontstonden. Het toeval kreeg inspraak. Ook hier weer ruimte voor de bezoeker om zelf in te vullen. Deel te zijn van. Het werk binnen te treden. Om (mee) te spelen.
Er was ook het voorval met een tegel. Toen ook al geen schilderij. Een tegel in een oude, unieke architectuur. Die van het Postgebouw in Oostende. Lingier nam er een weg. Hij nam er meer weg. Kreeg inzicht en bouwde er sokkels mee. Sokkels als een soort hommage. Waaraan? Aan de beeldhouwkunst? Aan de architectuur? Ik weet het niet. De sokkels waren zelf ook architecturen waarin het licht kon spelen. Een bepaald ritme zich even kon nestelen. Maar het belangrijkste was de idee dat tegels dingen verbergen. Dat wij dingen verbergen.
We worden hier vandaag geconfronteerd met vierkanten en vierhoeken die zweven in de ruimte van een linnen drager. Her en der een inkijk. Een spleetje, luikje dat open bleef. Daarachter ligt de diepte waarin je kijken kan naar wat veraf is. In ruimte, maar ook in tijd. Het heeft iets speels. Je kan spelen om pijn te verzachten. Om te vergeten. Het lijkt me ook het resultaat van nadenken, piekeren, opbouwen, knoeien en af en toe een streep trekken. Kaarsrecht? Dat hoeft niet langer. De suggestie van een klein moment van trefzekerheid volstaat.
Na de balken en de vierkanten, maken de vierhoeken hun opmars. Houvasten die toch lichtjes lijken te verschuiven. Niets lijkt nog zeker. Lingier creŽert ruimtes, speelt - met bravoure (dat ziet zelfs een groot mens) - met vlakken, met zwaartekracht, met perspectief, met lijnen, met verf, en vlak en striemen. Is het spelen? Ik vroeg het me eerder af, maar ben het vragen beu. Is het twijfelen, verhullen of onthullen? Is het bouwen? Vechten? Veel donker en af toe en her en der veel kleur. Zoals het leven. En kijk, strepen op een rij: hier kun je oversteken. Hier lijkt het veilig.

JOHAN DEBRUYNE, criticus, mei 2013