Terug naar overzicht










 


---

Grotto – Johan Lingier in De Spil (Roeselare)


Ik weet dat Stijn het doet. En Bruno. Gepakt, gehelmd, gespierd. Maar ik zoek ze niet op, tast ze niet af, vermijd hun valkuilen. Hun vochtig avontuur lokt me niet. Ik ben dus geen kenner van grotten, holen of spelonken. Mijn paapse jeugd haalt bij het woord “grot” moeiteloos Lourdes voor de geest. Ik wandelde in groep door wellicht de veilig gewaande gedeelten van de Maastrichtse  mergelgrotten en de bizarre ondergrondse uitsparingen van het Spaanse Nerja. En als liefhebber van beeldende kunsten ken ik uiteraard de rotswandschilderingen van Lascaux. Maar voorts voor deze jongen geen avontuurlijke krochten. En hoge hoogten al evenmin. Het vliegtuig? Als het niet anders kan. Zoals Otto-Jan Ham. Ik ben een held! Met woorden. Ik ben ook geen Roeselare-kenner. Op Rodenbach en Martens na.

Toen ik van de week naar het cultureel centrum “De Spil” in Roeselare reed stelde ik twee dingen vast: dat in het centrum van de stad een zittend naakt was verdwenen. Voorgoed – dat hoopte ik (die armen continu in lucht… had ze kramp gekregen?) – of alleen maar voor de winter? Ik kijk wel uit. Ik zag een fraaie kerktoren en Rodenbach zelf. Speels, op stap. De man-met-de vogel. Speelvogel? Mooi beeld!

Het cultuurhuis staat er ondertussen 20 jaar en ik ben er amper een paar keer geweest. De architectuur maakt je nerveus. Om van de vloeren maar te zwijgen. In de inkomhal staat een witte canapť met een verhaal. Het werk van Isidoor Goddeeris, een winterkind uit ’53, net als ik. Heel kundig met marmer, die Goddeeris. Dit werk verdient een betere presentatie.

Als estheet maakt ergernis zich snel meester van je. Dat beeldende kunst het hier moet doen in een ruimte onder het theater. Een restruimte. Een veredelde opslagplaats. Ik heb er ooit eens een (1) tentoonstelling gezien.

Dit keer had men Johan Lingier gevraagd om er te exposeren. Lingier begon als fotograaf, maar ontdekte relatief snel dat hij meer dan behoorlijk kon schilderen. Zijn oeuvre schurkte zich tegen het hyperrealisme aan en maakte indruk. En omdat hij node mensen uit hun lethargie haalt, terwijl hij toch met regelmaat een menselijk wezen nodig had om zijn ideeŽn vorm te geven, kwam hij verrassend vaak zelf in beeld. We keken naar hem, maar eigenlijk keken we, copycats, naar onszelf. Na enkele jaren had hij beeldend zijn boodschap  duidelijk gemaakt. Ijdele hoop, Johan. Want de mensen zien doorgaans alleen het mooie plaatje. Hoe knap geschilderd! Maar Lingier – zo zit hij in elkaar – herhaalt zijn kunstjes niet oeverloos. Hij is een man van twijfel. Hij zoekt.

Toen de vraag kwam om in De Spil te exposeren heeft hij in aanvang de boot afgehouden. Meteen immers gemerkt dat beeldende kunst in dit centrum  stiefmoederlijk wordt behandeld. Zeg nu zelf: een soort kelder! Maar goed, de ruimte is er. Hij heeft ze bestudeerd en is gaan piekeren. Erboven heb je het theater, dat als het ware op handen wordt gedragen en de hoofdmoot uitmaakt van het cultureel programma. Podiumkunsten worden hier wel op een piŽdestal gezet. De kelder stut alleen maar. Bergt. En maakt zich zo nuttig. De klanken sijpelen door. Als je beeldend denkt: stalactieten. En met een beetje fantasie: sokkels op hun kop. Ze staan niet. Ze hangen. En eenmaal je aan stalactieten strijkt, dan ben je in een grot. “Grotto”. Klinkt mooier. Lingier zou de hele ruimte mooier maken. Maar eerst: tabula rasa.

Nu kan je in die kelder wel 50-1 sokkels hangen, 49 stalactieten, dus, maar daar ga je geen mens mee intrigeren. Er zou kleur en beeld en klank worden toegevoegd. En de beelden, die zouden uiteraard van boven komen. Theaterbeelden. En gezien de sokkels op hun kop staan, doen ook de beelden dat. Lingier maakt het ons niet zo comfortabel.

Van en omtrent een 4-tal opvoeringen kon hij de beelden krijgen. Van andere helaas niet. En die  passeren. Of flitsen voorbij. Ze komen van vier kanten op je af. Het is eens stil en dan komt er vaart in. Het is eens wit en dat komt de kleur opzetten. En toch dacht ik weer aan schilderen. Ik zocht niet zozeer naar beelden, zag wel het woord “scŤne”, fragmenten uit een toneelstuk, de opbouw van een theaterstuk, de zitjes… maar genoot 20 minuten lang (de tijd van het concept) van het bijzondere spel van vlakken, stroken, striemen en kleuren. Nogal wat zaken ketsen tegen of wrijven langs je lijf, de stalactieten en de muren.

Ik hou niet echt van geel. Ik associeer die kleur met kleren van bourgeois, met zon en zee, met Knokke-Heist. Ik las dat Raveel heel lang naar zijn ideale geel heeft moeten zoeken. Wel, bij Lingier heb ik het mijne gevonden. Een harde soort.

Toen ik vroeger stout was en naar de kelder moest was dat in mijn eentje. Nu zou ik het fijn vinden om in “Grotto” in mijn dooie eentje rond te schuifelen.  Een wijle genoot ik van de week van een stil, bijna beeldloos moment: mijn eigen contouren op een muur. Even was ik beeld. Was ik alleen geweest ik speelde Rodenbach. De speelvogel. Ik durfde niet. Ik ben een held, dat zei ik al.

JOHAN DEBRUYNE

<afbeeldingen>