Terug naar overzicht

---

Toon mij de kleur van de leegte …

0verpeinzingen bij het werk van Johan Lingier

[download pdf-versie]

Licht is niet wit. Licht is opgebouwd uit verschillende kleuren. Aan de blauwe kant van de boog bevindt zich buiten het spectrum van onze ogen nog de ultraviolette straling. Aan de rode kant de infrarode straling. Die vormen samen de onzichtbare delen van de regenboog.

Waarom dit lesje in elementaire kleurenleer? Welnu, het prille werk van Lingier voert een centripetale beweging uit omheen dit mysterie van het licht. Hij is een schilder van de onzichtbaarheid en tegelijkertijd van alles wat zich binnen die onzichtbaarheid afspeelt. Een argeloze toeschouwer zou kunnen worden misleid door de overdosis zelfportrettering. Bij de eerste lezing vermoedt men inderdaad een narcistische vorm van tafelspringen. Maar wie zorgvuldig toekijkt, ontdekt dat het over iets anders moet gaan. Johan Lingier ondervraagt zijn eigen zelfbeeld, zijn spiegelbeeld, zijn gelaatstrekken, zijn expressies, zijn lijfelijkheid, zijn verschijning, zijn contouren … tot aan de limiet ervan. En verder: voorbij die limiet. Want waar begint het “ik “ en waar eindigt het? Bij de grenzen van zijn huid? Laten we die huid afstropen, zoals Gerard David in het “Oordeel van Cambyses” de onrechtvaardige rechter Sisamnes laat ondergaan. Laten we een dissectie van het lijf uitvoeren, zoals Rembrandt in de “Anatomieles van Dr. Tulp”.

Bekijken we even de werken “Cogito ergo non sum #1”, “Cogito ergo non sum#2” en “Kijk, de wereld die ik bedacht heb”. Telkens is er de weerspiegeling van de wereld in de donkere zonnebril, in het wit van de kop koffie op tafel. (Let alleen al maar op de gelaagdheid van het woord “kop” in dat verband!) Het oor van de kop weerspiegelt zich op de kop en tevens zien we de contouren van een hoofd. De ander blijft overal afwezig. In “Kijk, de wereld die ik bedacht heb” treffen we de kunstenaar aan op een zomers terrasje, maar op de achtergrond verschijnt een kerk en een kruis op het kerkhof. In het spiegelbeeld ondergaat de wereld een verdubbeling, maar wordt daarin tevens ter dood gebracht. De dood als de ultieme limiet waarin het leven zich spiegelt. Pas op het einde van iemands leven krijgen we namelijk zicht op het panorama van dit leven, op de eenheid van dit leven.

En hoe zijn titels ons aan het denken zetten! Er wordt in de dialectiek tussen beeld en titel een “sluier opgelicht”, zoals het overigens bij een van zijn werken klinkt.
De gevleugelde uitspraak “Cogito ergo sum” waarmee Descartes de geschiedenis van de moderne filosofie in werd gekatapulteerd, dat kapot geďnterpreteerde en geparodieerde “Ik denk, dus ik ben”, waarmee de bewijslast voor ons bestaan in het subjectieve denken zijn rechtvaardiging heeft gezocht, daarin zien we weer opnieuw hoe de wereld door het denken wordt opgeslokt. Het cartesiaanse subject verschijnt daar, schrijft Lacan, waar de twijfel zich als zekerheid herkent. Maar die zekerheid duurt slechts zolang als dat ene moment van het uitspreken ervan duurt. Die zekerheid is dus gedoemd om zich telkens opnieuw in het spreken te herhalen, wil mijn ik er nog zijn. Want telkens opnieuw ben ik mezelf weer kwijt. Lingier werpt zich hier op als schilder-filosoof. Buiten dat oh zo gelauwerde ego in onze westerse cultuur, hoort hij de stem van een Zelf dat bestaat voorbij dit ego. Dit is ook waar het in het werk van Lingier om draait: wat speelt zich namelijk allemaal af binnen dit bestendige zelfverlies? De Oud-Grieken beitelden de woorden “Ken Uzelf”, het “Gnothi Seauton”, in een steen van de Apollotempel te Delphi. Het lijkt erop alsof Lingiers kunstenaarschap dit filosofisch motto beeldend vorm geeft. Ik moet in dat verband onwillekeurig denken aan de prominente functie die het begrip herhaling geniet in de filosofie van Sören Kierkegaard. De herhaling bezit niet de weemoed van de herinnering, maar wel de zalige zekerheid van het ogenblik. De herhaling moet mogelijk maken waarin de herinnering niet lukt: zodanig leven met het verleden dat het tegenwoordig wordt, zodanig leven in het heden dat de tijd niet verglijdt. Het leven beleven als zou het evengoed in één ogenblik verlopen. Dit lijkt mij de inzet van dit werk. Doorheen de herhaling, die erin bestaat steeds weer opnieuw zijn eigen hoofd tot onderwerp te nemen, nadert de kunstenaar tot de essentie van zijn ik.
En we zien hoe deze ontwikkeling zich voor onze ogen afspeelt. Waar het licht in zijn vroege werken vooral als weerkaatsing meespeelt in de beeldopbouw, zien we hoe het licht daarna niet enkel van buiten binnenvalt, maar tevens als innerlijk licht het hoofd vervult. Eerst nog bescheiden in “Waar ik ook kijk” & “Ik zie alleen mezelf”. Maar in werken als “Hoofd van een imaginaire onderneming”, “Hoofdweg”, “Hoofd ad interim” en “Der Einzige und sein Eigentum” op prominente wijze. Ook hier brengt de titel soelaas. Voor zij die nog filosofisch bij de les zijn: dit is de titel van het hoofdwerk van de Duitse, negentiende-eeuwse filosoof Max Stirner. Stirner is een pseudoniem, zijn eigenlijke naam was Johann Caspar Schmidt. Hij koos dit pseudoniem wegens zijn hoge voorhoofd, Stirn, zijn brein met andere woorden. Stirner begint en eindigt zijn filosofisch traktaat met de beroemde zin: “Ich habe meine Sache auf Nichts gestellt”. De filosoof maakt brandhout van alle hooggestemde idealen waarmee de individuele mens zichzelf een rad voor de ogen draait: wij zijn geen “kinderen van God”, staatsburgers, echtgenoten, humanisten, christenen, of wat dan ook. Het gaat enkel en alleen om “meine Sache”. Mijn eigen ego, en alleen dat komt op de eerste plaats. En bij uitbreiding: mijn eigendom. Maar zo zie ik Lingier vragen: “wie/wat is dat, mijn ik?”

We zien dan hoe zijn eigen zelfbeeld vervolgens oplost en verdunt tot een lichtende toorts. Zie de werken uit de reeks “Atmosphere” . Contouren en vormen schijnen te vervliegen en gaan uiteindelijk op in licht. Het motief van het hoofd wit te laten kennen we uit de voorstellingen van de profeet in de islam. Ook zijn hoofd werd steeds voorgesteld als gesluierd met een wit doek. In de Koran is het “Lichtvers”, dat begint met de gedachte aan God als Licht, een voortdurende bron van inspiratie geweest voor islamitische mystieken. Maar het licht heeft uiteraard wortels in diverse mystieke tradities. Directe ervaringen worden gevisualiseerd met het beeld van licht. De zieneres Hildegard von Bingen zag al haar visioenen door een duizelingwekkend licht. In haar afbeeldingen bij de geschriften verschijnen flikkerende lichtpunten die als golven bewegen. Voor Augustinus is het doel van contemplatie een geestelijk contact met het onveranderlijke licht. De Indiase mystieke filosofie bedient zich vaak van het licht als manifestatie van het zuivere zijn. Onder de Eskimosjamanen is helderziendheid het resultaat van qaumeneq, verlichting. En zo zouden we nog een eindje kunnen doorgaan met voorbeelden.

In het werk van Lingier verdwijnt het “ik”. Het is een esthetica van de verdwijning. Dit zie je goed aan het werk in het schilderij “Progress”. Hij ledigt zijn hoofd, zijn lijf. Dit ledigen van de materialiteit van lichamelijkheid maakt een opening naar de essentie van het menselijke verlangen, een verlangen dat oneindig uitstaat naar onverwezenlijke idealen. De artistieke daad kan in dat verband begrepen worden als een operatie, een chirurgische ingreep, in de betekenis die Duchamp eraan gaf: een anesthesie van het object. Na het per via di porre van de schilderkunst (het aanbrengen van verfmaterie op de leegte van het doek), na het per via di levare van de beeldhouwkunst (het wegkappen van materie uit de steen waarin de sculptuur reeds verborgen zat), nu een per via di vuotare, het introduceren van een niets waar voorheen iets was. “Warum ist da etwas, und nicht vielleicht Nichts”, zo formuleerde Heidegger de moeder van alle metafysische vragen. We zijn hier getuige van een “metafysische schilderkunst” die nieuw leven wordt ingeblazen.

Het “niets” spookt als een enigmatisch object doorheen wetenschap, religie en kunst. Wie doordenkt over wat het eigen “ik” nu eigenlijk inhoudt, komt al vlug bij een zero uit. De wijze waarop de kunstenaar dan telkens opnieuw zichzelf uitbeeldt, is eerder een wijze om zich van dit “ik” te ontdoen. Het is een buiten zichzelf breken. Het is zich ontdoen van het eigen lijf, van de uiterlijkheid in “Wondering what’s to become of my collection of lives”. Hier geen zelfbevestiging meer, maar veeleer referentie naar de wonde, de kruisiging, de transsubstantiatie.

In de roman “Elf minuten” van Paulo Coelho begint de ontmoeting tussen de schilder en Maria, het hoofdpersonage, ermee dat de schilder haar aanspreekt met: “Ga niet weg. Ik ben bijna klaar met dit portret, en ik zou jou ook graag schilderen. (…) Je hebt licht. Laat me ten minste een schets maken.”


Joannes Késenne
Docent kunsttheorie PHL